|
|
KONYA, RELIGIEUS CENTRUMRoutekaart Antalya - Konya
Dag
14
|
![]() |
![]() |
De
bus vertrok op precies de aangegeven tijd: 11.30 uur.
Hieraan hield men gelukkig streng de hand.
Voor het eerst zaten er in de bus Europese trekkers. Het waren twee blonde Friese jongens. Door hun rijzige gestalte en hun "gele" haar
(Turkse uitdrukking) liepen zij overal direct in het oog. Ze waren op weg naar Syrië.
Ik heb niet geïnformeerd wat ze daar in die oorlogstoestanden dachten
te gaan doen. De reis voerde weer terug door de Taurus, langs stuwmeren,
natuurlijke zoutmeren en tenslotte via de rand van de Anatolische hoogvlakte
naar Konya. De meren heten het
Egridir en het Aksehir Gölü. Bij
het eerste hielden we een uurtje rust. Het
zijn meren ter grootte van ongeveer Limburg; men probeert er nu
toeristenindustrie uit de grond te stampen.
Gezien de gunstige koers van de Turkse lira (hoe lang nog?) zal dit wel
lukken.
In
Konya kwamen we aan bij de moderne "Yeni Gar", het nieuwe
autobusstation. Konya heeft
320.000 inwoners en is een religieus centrum waar de derwisjenorden heersen. Men spreekt er ook een speciaal dialect.
In plaats van het Turkse "minibus" en "fuari"
schrijven en spreken zij "münübüs" en "vuar".
Dat betekende voor mij extra moeilijkheden in de communicatie.
De mensen verstonden er mijn uitspraak van het Turks ook minder goed.
Ik spijsde zeer uitgebreid in de stationsrestauratie: meloen, soep,
goulash met aardappelen, rijst met gehakt en bier.
Naast mij zat een zwaar opgemaakte Turkse jonge dame van waarschijnlijk
lichte zeden die haar in traditionele kledij gestoken en gesluierde moeder
trakteerde op een etentje met friet. Dergelijke
flagrante tegenstellingen kom je vaker tegen in dit land van toch wel veel
ongerijmdheden. Enerzijds een
feodale maatschappijstructuur met verlammende godsdienstige regels; anderzijds
een vrij kapitalisme met de daarbij behorende geavanceerde technische
verworvenheden. Ofwel de analfabete loonwerker op zijn John Deere-tractor; de
bedelaar met zijn Casio-zakcalculator en de hoer die al citerend uit de Koran
haar werk verricht.
Met de scootertaxiIk liet me in het spiksplinternieuwe Hotel Otogar inschrijven: twee nachten voor fl 40,-, eindelijk een normale prijs. Het was wel een hotel in de klasse "Lüks". Ik was er erg tevreden. Het was dan ook het beste hotel van mijn hele reis, en nog niet eens het duurste ook! Het centrum was zo'n 3 km van het hotel af. Ik ging er dus met de dolmusj naar toe. Ditmaal was het wel een erg vreemdsoortige dolmusj, bestaande uit een scooter die in een kar gebouwd was en waar een zelfgemaakte carrosserie omheen gebouwd zat. Inhoud: 8 personen. Prijs: 30 cent. Medereizigers waren o.a. een drietal opgeschoten jongeren. Een ervan was in Konya op vakantie en kwam uit Keulen. Hij moest van zijn kameraden tonen dat hij Duits sprak. Ik moest hen vertellen dat hij beter Duits sprak dan ik. Het was een nogal luidruchtig stelletje. De jongen uit Keulen voelde er zich niet helemaal thuis, had ik de indruk. |
|
In
het centrum was het nog druk. Veel
mensen hadden vrij vanwege de Suikerfeest - festiviteiten.
Ik persoonlijk heb weinig van die feesten gemerkt; geen vuurwerk
bijvoorbeeld. Ik denk dat mijn
Turkse leerlingen mij dit maar wijs gemaakt hadden.
Ik volgde de hoofdstroom van mensen en kwam uit bij de Aleyleddin Tepe,
een voormalige burchtheuvel (zie foto's) die bezaaid is met monumenten en
theetuinen. Ik kon nergens bier
krijgen, een drank die ik gezien mijn stoffige reis best kon gebruiken.
Iedereen zat er naar de t.v. te kijken.
Gedronken werd er niet, dat kost per slot van rekening geld en dat
artikel is voor hele volksstammen in Turkije nu eenmaal erg schaars.
Aan een troepje rondhangende adolescenten vroeg ik waar ik pils kon
krijgen. Zij brachten mij met
zijn drieën naar een biercafé in een duister hoekje weggemoffeld op het
jaarbeursterrein. Natuurlijk hadden onze Oosterburen op dit tapplaatsje al hun
stempel gedrukt; links en rechts dreunde het Duits om mijn oren.
De bediening was verre van perfect, zo kreeg ik de tweede keer een
lauwe fles bier die ik liet terugbrengen.
Ze zullen wel gedacht hebben dat ik ook een Duitser was. Er zaten ook twee Nederlandse paartjes, die ik zowaar later
in Nevsehir en in Kayseri terug zou zien. Het waren sociaal-maatschappelijk
werkers uit Apeldoorn. Ik heb
verder niet lang met hun gesproken, ik was niet naar Turkije gegaan om
Nederlanders te ontmoeten. Het kermisterrein was niet zo attractief: de
spelletjes en kraampjes waren vergelijkbaar met die in de jaren vijftig op de
fancy fairs in Nederland; ringgooien om pakjes sigaretten, rad van avontuur en
dergelijke. Via een andere route kwam ik bij de standplaats van de dolmusj
uit. Onderweg was ik te weten gekomen dat er ook hier seksclubs en
massage-instituten gevestigd zijn. Ze
opereren alleen niet openlijk, maar slinks.
![]() |
![]() |
Dansende derwisjen
|
Mevlana Tekke (Konya) Tombe en hoofdkwartier van de dansende derwisjen De tombe van de soefi-mysticus, filosoof dichter en theoloog Djalal al-Din Mohammed al-Roemi (1207- 1273), ook bekend als Mevlana, vormt het hart van wat vroeger het hoofdkwartier van de dansende derwisjen was - tot de sekte in 1925 werd verboden tijdens een grote campagne tegen religieus extremisme door de pas opgerichte Turkse Republiek. Het complex van Mevlana Tekke omvat - naast vele andere tomben en begraafplaatsen - een moskee, een rituelenhal (tekke) waar de dansceremonie (sema) plaatsvond, keukens waar eten werd bereid voor de derwisjen en hun gasten, en leefcellen. Deze locatie, ooit een koninklijke Seldjoekse rozentuin ten oosten van de ommuurde stad Konya, werd in 1228 geschonken aan Mevlana's vader, de theoloog Bahaeddin Veled uit Balkh; beide mannen liggen hier begraven. Op basis van Mevlana's leer stichtten en ontwikkelden zijn opvolgers de orde van de dansende derwisjen, die met rituele zang en dans ernaar streefden om één te worden met het goddelijke. De eerste tombe boven Mevlana's graf, een simpele koepelconstructie, werd kort na zijn dood gebouwd maar in 1397, toen de invloed van zijn leer toenam, werd de koepel vervangen door de prachtige zestienzijdige kegeltop, bedekt met turkooisgroene tegels. De moskee en rituelenhal werden later toegevoegd door Osmaanse sultans. Nu leidt een aantrekkelijk binnenhof meteen ablutiefontein voor rituele reiniging en een aantal kleinere tomben, via een zilveren deur naar de grote grafkamer. Mevlana's sarcofaag ligt, net als die van zijn vader, prominent op een verhoging, gedrapeerd in een fluwelen lijkwade met gouden borduursel, met een symbolische tulband aan het ene uiteinde. Mevlana's tombe, het belangrijkste islamitische heiligdom in Turkije, trekt nog elk jaar duizenden pelgrims, ook al werd het complex in 1927 officieel een museum. |
Dankzij een diepe slaap was ik redelijk uitgeslapen toen ik om tien uur opstond. Alleen had een vermaledijde mug mij verschillende jeukende bulten bezorgd. Het was hemels weer buiten en in het zachte zonnetje op een terras gezeten trok ik mijn plan voor de komende dagen. Mijn hele tafeltje lag vol papieren en kaarten. Ik maakte aantekeningen en bestelde ook nog met twee gelijk mijn glaasjes thee, iets dat als ongehoord beschouwd wordt in Turkije. Toen ik vertrok moest ik er acht afrekenen. Ach ja, het waren kleine glaasjes…
|
|
|
Om
12 uur was ik weer in de stad. Hoewel
er veel mensen waren, bleek er eigenlijk niets loos te zijn.
De meeste slenterden even doelloos rond als ik. Met name de
robotachtige soldaten liepen er met hun ziel onder de arm.
Bij de enige
bakker die open was stond een rij van wel 100 mensen, ter
gelegenheid van het feest gaven de autoriteiten gratis brood uit. Er
waren ook veel boeren en buitenlui in de stad.
Hun wagentjes waren met kleine paardjes bespannen en zagen er fraai
bewerkt uit. Jammer genoeg durfde ik er ook nu geen foto's te maken. Nogmaals, van arme sloebers maak ik principieel geen foto's, tenzij ze
er mij zelf om vragen om een centje bij te verdienen. Om 13.00 uur kon ik bij
het Mevlana Museum terecht. Het
was een regelrecht bedevaartsoord waar de handen ten hemel werden opgeheven,
men zich in het stof wierp en men voor de graven van de "heilige"
Mevlana (een soort dichter/priester) op de knieën smeekte om bepaalde
gunsten. Ik weet niet of die ook
verhoord worden. Toch was een en
ander binnen de perken gehouden, geen allesoverheersende cultus en smakeloos
commercie zoals in de Christelijke oorden Fatima en Lourdes.
Uiteraard stroomden hier weer eens de bussen vol Franse,
Amerikaanse en Engelse 50+ toeristen binnen.
Alleen de Fransen wekten de indruk echt interesse te hebben, maar dat
is dan ook een cultureel onderlegd volkje zoals bekend.
![]() |
![]() |
In
de kamer met kunstschatten richtte iemand in het Duits het woord tot mij:
"Hoca, kennen Sie mich nicht mehr?".
En verdomd als het niet waar was, daar stond Aysje, de Duitse
Gastarbeiterin die zich in Nisj zo fel verzet had tegen de beslissing om door
te rijden. Ik herkende haar niet
direct. Zij woonde eigenlijk in
Ankara, maar zij had haar familie met haar in een Duitse fabriek verdiende
geld een vakantiereisje in Turkije zelf aangeboden.
Zo was ze dan ook in Konya beland.
We haalden nog wat herinneringen aan de gedenkwaardige busreis op, voor
zij haar weg vervolgde met haar boerse en stuurs uitziende neven en nichten,
broers en zussen. Toch een leuk
initiatief van zo'n meid. Ik was
bewogen, hoewel niet direct tot tranen toe.
Niet alle buitenlandse werknemers potten en zijn uit op materieel
bezit, maar velen proberen hun achtergebleven verwanten op een cultureel hoger
peil te brengen. Zo was Ayse bezig met horizonverbreding; zo zijn ook vele
Turkse vaders bezig met het verbeteren van de mogelijkheden tot een betere
opleiding van hun zonen in Turkije zelf.
Met het gespaarde geld kan men schoolgeld en internaatskosten betalen.
Ik dacht hierbij ook aan een vriend van mij, Mehmet Gökduman uit Roermond, die
met zijn in een Hollandse fabriek zuur verdiende geld de studie voor ingenieur
van zijn broer betaald heeft. Ik
weet dat dit geen incidentele gevallen zijn.
|
Stad van videorecorders
Vanuit
het Mevlana Museum ging ik enkele andere bezienswaardigheden bekijken: het
Ivre Menare Museum (dat nogal tegenviel) en het Museum van Atatürk, waar
allerlei persoonlijke documenten, kleren en gebruiksvoorwerpen van de goede
man aan den volke getoond werden. Ik
vond het maar eigenlijk niks, die persoonsverheerlijking schijnt in een
bepaalde ontwikkelingsfase van een jong land noodzakelijk te zijn.
Ik walg er in ieder geval van. Regelmatig dronk ik thee of probeerde ik
alle vruchtensappen die voorhanden waren uit.
Ook liet ik mijn schoenen poetsen en stelde ik een jongetje in staat
mij te wegen (86 kg). Opvallend
in deze stad waren de vele tv-toestellen en videorecorders. Op die laatsten vertoonde men karatefilms van een
minderwaardige kwaliteit, maar daarom niet getreurd.
Men had eenvoudigweg niets anders te doen, zeker de militairen en de
armen niet. |
|
Reeds
vroeg betrad ik het hotel, waar ik werd aangesproken door een
veramerikaniseerde Turk. Hij
sprak het typische slordige en nasale Engelse dialect dat voor Amerikaans
doorgaat. Zijn stopwoordje was
"ye know"? Hij was technicus in Houston, half Joods en half Moslim, maar
geen van beide religies trok hem erg aan.
Hij noemde zichzelf Joe (zijn oorspronkelijke Turkse naam wilde hij
niet eens noemen, "Just call me Joe," zei hij steeds.) Hij was hier
op bezoek bij zijn zus die in Turkije was achtergebleven en nu als moslimse
gehuwd was. Volgens Joe was zij
ook psychisch en sociaal achtergebleven.
Hij baalde als een stier en wilde liefst zo snel mogelijk terugkeren
naar zijn geliefde Texas. Ik vond
hem niet bijster sympathiek, hoewel ik me zijn twijfels over de Turkse
samenleving levendig kon voorstellen.
![]() |
![]() |
|
Twee leergierige hotelboys
In
het even verderop gelegen "Park-Hotel" (nog luxueuzer) ging ik
enkele travelers cheques inwisselen voor ik het stationsrestaurant instapte.
Mijn hoofdgerecht was nu gevulde aubergine.
Erg lekker. Ik kocht een kaartje voor de volgende morgen 5 uur.
Mijn reisdoel was Nevsehir in Cappadocië. Ik drukte Mustafa en Abdelrahman, de twee hotelboys waarmee
ik een uitstekende verstandhouding had, op het hart me om 4 uur in de nacht te
wekken. Tot een uur of twaalf
leerde ik hen nog allerlei praktische uitdrukkingen en zinnen in het Engels en
het Duits. ("We have no warm water to-day!", "Bitte sehr, danke
schön!") Als tegenprestatie leerden ze mij nieuwe Turkse woorden.
Joe, de Joods-Turkse Amerikaan, kwam er nog bijzitten, maar de Tuborg
had bij hem zijn werk al grondig gedaan. Hij was zo dronken dat hij me zijn
echte naam toevertrouwde, dat was Elay… Op mijn kamer pakte ik alvast mijn
reistas in voor het geval ik morgenvroeg tijd te kort zou komen. |
|