SAN LUIS DE POTOSI
26.
San Luis de Potosí
San Luis heeft zijn achtervoegsel te
danken aan de zilverstad in Bolivia, men hoopte destijds dat de stad zou
uitgroeien tot een tweede Potosi. Overigens, de toevoeging 'de Potosi' wordt door de
locale bewoners meestal weggelaten. Tegenwoordig is het niet zilver, maar
industrie en landbouw die brood op de plank brengen, dit laatste vooral dankzij
uitgebreide irrigatiewerken. De stad telt nota bene 600.000 inwoners, iets in de
orde van grootte van Rotterdam. We verblijven er in het middenklassenhotel Maria
Christina, een koopje voor nog geen dertig gulden per persoon. Het hotel is
centraal gelegen en is bijna luxueus te noemen. San Luis is geen
toeristenplaats, vandaar dat de prijzen hier beduidend lager liggen dan in
andere steden van Mexico. We zitten er op de hoogste etage en genieten van een
mooi uitzicht over de daken van de historische binnenstad. Het enige nadeel
waarmee we worden geconfronteerd is weer eens de closetpot die praktisch tegen de muur
aangebouwd is. Je moet er echt slangachtige capriolen uithalen wil je jezelf een
beetje fatsoenlijk kunnen afvegen.
|
 |
We gaan direct de stad in nadat we onze
kostbaarheden in de kluis hebben opgeslagen. We staan versteld van de mooie
koloniale gebouwen, de monumentale kerken en de schitterende gevels van deze stad.
Alles is goed onderhouden en er worden zelfs auto's uit een groot aantal straten
geweerd. Wel lopen er naar onze smaak wat te veel politiemensen op straat rond.
We eten in restaurant 'Tokio", heel lekker en heel Mexicaans, niets in de
zaak doet ons aan Japan denken. Waarom dan die naam in godsnaam? Op onze kamer
kijken we voor het slapen gaan naar een film met Michael Jordan, waarin hij
tussen allerlei strip- en tekenfiguren vreemde avonturen beleeft. Clim wast
ondertussen zijn sokken.
|
27.
Easy going in San Luis
|
Het ontbijtbuffet valt ietwat tegen,
maar enige orders later hebben we het buffet toch aangevuld met verse koffie met
melk, geurig brood, vers geperste jus d'orange en uiteraard gebakken eieren met
bacon. Dit laatste kan zelfs Clim zonder met zijn ogen te knipperen in het
Spaans bestellen: "Dos huevos fritos con tocino, por favor!" Daarna
slenteren we de hele dag op ons gemak door de stad. Eerst wisselen driehonderd
dollar bij een bank waar ik een tijdje in de rij moet staan; hier in de grote
stad krijgen we geen voorkeursbehandeling zoals in Patzcuaro. Op een plein wordt
een stel jonge meiden gedrild als een peloton rekruten. De zin daarvan ontgaat
ons. De jonge meiden zien er fris en aantrekkelijk uit en marcheren krijgshaftig
en fanatiek. Ze voeren de bevelen blindelings uit. Na de driloefening reageren
ze de spanning ietwat lacherig af. Op meerdere lommerrijke pleinen blijven we op
bankjes hangen. Steeds als we weer eens een kerk zien, moeten we er naar binnen.
Het is ideaal weer; hier en daar een wolkje aan de strakblauwe hemel, een
aangenaam temperatuurtje van 25 graden en nu en dan een verfrissend zuchtje
wind. Op een van de pleinen worden we aangesproken door een groepje opgeschoten
meisjes, het zijn een soort stadsgidsen die ons hun hulp op toeristisch gebied
willen aanbieden, ons willen rondleiden dus. Ik laat hun onze dikke Lonely
Planet Guide zien en zeg hun dat we al een "guia" hebben. Geen van hen
spreekt echter Engels, dus we slaan hun diensten beleefd af.
|
 |
|
Vlakbij ligt het stadsmuseum San
Francisco, waar ze ook authentieke Indiaanse snuisterijen verkopen. Musea in dit
land zijn onveranderlijk gevestigd in voormalige kloosters of abdijen, zo ook
hier. De kloosterkapel die we er bezichtigen is in één woord adembenemend. In
een apotheek hebben we eindelijk succes als we naar Selsun vragen (met de
chemische formule erbij), Clim heeft dit smerig goedje nodig voor een opkomend
eczeem op zijn rug en schouders. Vlakbij de plek waar medicijnen tegen astma,
bronchitis en andere cara aandoeningen worden verkocht staat een groot rek met
een compleet assortiment aan sigaretten en andere tabakswaren op hun koper te
wachten. Dit is ook Mexico: een land van uitersten waarmee onze zin voor logica
geen raad weet. Ik koop ansichtkaarten bij een zwangere vrouw. Ze spreekt
Engels, enigszins tot mijn verbazing. Dat heeft ze in Kansas City geleerd, waar
ze zes jaar heeft gewoond. Haar kinderen zijn daar allemaal geboren en hebben
daarom nu de Amerikaanse nationaliteit, vertelt zij trots. Ik wijs suggestief op
haar gezwollen buik en zeg dat die toekomstige 'muchacho' dus een échte
Mexicaan zal worden. Dat vindt ze leuk. Ze vertelt het direct aan haar man die
even verderop bloemen verkoopt. Ze zijn uit de USA vertrokken vanwege een
'bloedend hart', ofwel 'heimwee' vrij vertaald. Ook in deze stad liggen de
winkels gegroepeerd naar branche. Maar de winkels die in Mexico meteen in het
oog springen en die je dan ook overal tegenkomt, zijn de 'zapateria's', de
schoenenzaken. Veel concurrentie dus op dit gebied. Samen met goedkope arbeid
zorgt dit voor ongelofelijk lage prijzen voor schoenen en andere lederwaren. We
hadden nieuwe schoenen willen kopen, maar uiteindelijk hebben we er toch van
afgezien. Ik weet nog steeds niet waarom eigenlijk.
|
 |
Op een gegeven moment blijkt er een
straat afgesloten te zijn. Wij als voetgangers kunnen erdoor en zien even later
de reden van afsluiting: er is een demonstratie en/of staking aan de gang van
het UCD. Nee, geen politieke partij, maar de Unión de Campesinos Democraticos,
een boerenorganisatie. Ze zijn er met hun aftandse pick-ups en hebben banieren
en spandoeken opgehangen tussen bomen en aan hekken. Ze protesteren tegen de
algemene prijsverhoging en tegen de lage prijzen die ze voor hun producten
beuren. We vinden het maar een matte bedoening, want ze scanderen geen leuzen,
ballen geen vuisten; nee, ze staan er maar wat braaf en lusteloos niets te doen.
Als lunch eten we gorditos. Dit zijn een soort maïspannekoekjes die ze
opgevouwen hebben zodat er een envelop ontstaat, die ze dan met groente,
pepertjes en gehakt vullen. Lekker, maar bijzonder pittig, zelfs voor mij die op
dit gebied toch zijn mannetje staat. In de namiddag belanden we op de Alameda,
het grote stadspark met mooi gestileerde banken en smeedijzeren straatlantaarns.
Er pal tegenover ligt het uitgestorven station. Welgeteld vier treinen
vertrekken hier per dag. Voor de ingang staat een kleiner type locomotief
tentoongesteld. Clim wijst me bepaalde onderdelen aan en legt me uit hoe ze
werken. Dan is de tijd voor een lekker bakje koffie of een koele pint
aangebroken.
We nemen daartoe plaats in het
theaterrestaurant. We zitten net of het begint alweer te stortregenen en de
kraampjes op het plein worden in allerijl onttakeld of met zeil en plastic
omhangen. Na de regen bezoeken we het "Museo de las Mascaras" (museum
van de maskers), dat naast het 19de- eeuwse theater ligt. De
expositie is niet zo bijzonder, maar het gebouw zelf kan ons wel bekoren. Op de
valreep lopen we nog de Santa Carmen-kerk binnen. De inrichting is hier iets te
overdadig verguld, te weelderig zodat het pronkziek wordt. De voetbankjes
stinken er afschuwelijk naar zweetvoeten, de Indianen lopen hier 's zomers nog
blootsvoets door het stof. Naast de kerk liggen in een vervallen klooster
allerlei spullen opgeslagen die tijdens de Semana Santa worden gebruikt, zoals
rijtuigen, karren, beelden, draagbaren, et cetera. Het maakt op ons een
smoezelige indruk. Even een uurtje of twee rusten in het hotel, ergens
kippetje eten en dan zijn we weer present op het centrale plein. Nu paradeert er
de plaatselijke jeugd in hun traditionele 'paseo' (of 'corso' zoals ze in Italië
zeggen), allen streng gescheiden naar sekse. De jonge grietjes zijn er in de
meerderheid. Een
clown staat er zijn kunsten te vertonen, omringd door dichte
hagen toeschouwers. We kunnen zijn grappen en grollen niet volgen. Er heerst een
ontspannen sfeer. In de verte doet de bliksem de bergen regelmatig oplichten.

|