(NB De verteller is Jos Schmitz.)
1.
Overnachten op Schiphol
Op donderdagavond nemen we een taxi
naar het station, het is even na tien uur. De taxichauffeur blijkt Rafet Ozdemir
te zijn, een voormalige Turkse leerling van Jos. Hij spreekt zo goed 'plat
Remunjs' dat Clim eerst niet in de gaten heeft dat het hier om een Turk gaat. De
NS heeft onlangs een nieuwe dienstregeling ingevoerd, waardoor we in
Duivendrecht over kunnen stappen. Zo vermijden we het Centraal Station in
Amsterdam en zijn we een kwartier eerder op Schiphol. De hele nacht houden we
ons in en rondom de Plaza bij de tweede vertrekhal op. Het is er boven
verwachting druk, vooral met afhalers en passagiers van verlate chartervluchten
en vroege ochtendvluchten naar nabije toeristische massabestemmingen. We lezen,
puzzelen en slapen wat. Tegen half acht schijn ik in zo'n diepe slaap te zijn
gevallen dat ik begin te snurken. Een aardige surveillante van de burgerwacht
(die hier de hele nacht al heeft gepatrouilleerd) maakt me voorzichtig wakker.
Snurkende mensen passen niet bij het smetteloze imago van een modern Schiphol.
Het voert haar echter te ver om me, net als al die haveloze zwervers en
verslaafden, uit het gebouw weg te sturen.
2.
Verhoor bij inchecken
0m acht uur begeven we ons naar de desk
van Delta om onze tickets op te halen. De balie van Delta ligt naast die van El Al en wordt
streng bewaakt door bewapende marechaussees. We worden aan een 10 minuten durend
interview (in feite gewoon een verhoor) onderworpen:
Wat gaan we doen in de USA?
Zij we er al eens eerder geweest? Waar hebben we geboekt? Welke hotels hebben we
aldaar? Hebben we cadeautjes of pakjes voor anderen in onze bagage? Wie heeft
ons helpen inpakken?
Kortom allemaal vragen die men zoal stelt bij de
uitgebreide Israëlische veiligheidsgesprekken die ik al vaker heb meegemaakt.
In Israël is zoiets bij El Al standaardprocedure, maar hier bij een gewone
Deltavlucht naar Amerika ook al? De functionaris spreekt Nederlands met een
Amerikaans accent, gelukkig is hij vriendelijk en beleefd. In Israël zijn de
beambten, vaak vrouwen, doorgaans stug en nors. Als men vindt dat wij niets op
onze kerfstok hebben en er ook niet als verkapte terroristen uitzien, mogen we
door de douane. Om 11.00
uur staan we bij de gate klaar voor vertrek. Om twintig voor twaalf zien we een kwart van
Nederland (Noord-Holland, Waddenzee, Friesland en het IJsselmeer) al kleiner
wordend onder ons wegglijden. We testen vol vuur onze topografische kennis op
die levende landkaart. Nee, dat is niet Vlieland, dat is Ameland! Kijk, de
Afsluitdijk. En dat moet de Hondsbossche Zeewering zijn, want rechts ervan ligt
Alkmaar.....
3. Crossing the Atlantic
Het eten tijdens de 8 uur durende vlucht is matig. De bemanning bestaat uit een
mixture van jong en oud, man en vrouw, Amerikaans en Nederlands. We vliegen in
een Boeing 737. Van pitten onderweg komt niet veel terecht. Tegen het einde van
de vlucht staren we naar de horizon om de skyscrapers van Manhattan te zien,
maar we zitten net aan de verkeerde kant tijdens de landing. Onder ons zien we
wel honderden zeilboten en waterskiërs die
zich op deze zonnige zondagnamiddag in Jamaica Bay onder aan Long Island aan het
verpozen zijn. Ook hebben we een goed uitzicht op de New Yorkse wijk Brooklyn.
Nou ja, wijk, in feite is het een op zichzelf staande miljoenenstad.

4.
Kort verblijf in the Big Apple
0m half wee lokale tijd komen we aan in
Terminal 3, dat is de Delta-terminal. Alle Amerikaanse maatschappijen hebben op
John F. Kennedy Airport een eigen terminal. Dat is ook zo op andere vliegvelden
in de USA. Buitenlandse maatschappijen moeten met Delta (of een andere
maatschappij, bijvoorbeeld
Northwest) een contract sluiten willen ze hier starten en landen. In lange rijen
schuifelen we tussen de afzettingen door naar de douanehokjes; het reizigersvee
(want zo voelen we ons) wordt door een aantal voormalige werkloze jongeren van
diverse etniciteit (weinig blanken in ieder geval) letterlijk in goede banen
geleid. Uiteraard is roken overal ten strengste verboden. We hebben een Visa
Waiver ingevuld; hiermee krijgen we als onderdanen van een bevriende natie
probleemloos toegang tot het beloofde land, ofwel God's Own Country. We moeten
wachten op onze bagage, wijzen die aan waarna ze doorgelabeld wordt naar onze
vlucht naar Mexico. Dit onderdeel Transit is ronduit slecht geregeld; geen
ordelijke rijen, nauwelijks borden of aanwijzingen, chaotische toestanden en alles
handwerk. Het personeel lijkt regelrecht uit het getto te komen. Heel on-Amerikaans
in ieder geval. We vrezen het ergste, zullen onze tassen Mexico City überhaupt
wel bereiken?
Ondertussen hebben we onbedwingbare zin
in een sigaret gekregen. We zijn al meer dan tien uur van een paffertje
verstoken gebleven. Binnen heerst een absoluut rookverbod, maar na enig wanhopig
speurwerk ontdekt Clim een uitgang waardoor we naar buiten kunnen. We gaan in
enkele uren tijd drie keer naar buiten om sigaretjes te roken. Buiten is het heet,
kaal en druk. Rondom de terminal is geen boom te bekennen, we zijn er omgeven
door autowegen en op- en afritten. Dit is echt autoland. Als we weer naar binnen
willen, worden we opnieuw gecheckt. We moeten tot halfzeven wachten voor we aan kunnen sluiten bij de
rij wachtenden voor de vlucht naar Mexico. Hier is weer chaos troef: eerst mogen
de businessclasspassagiers naar binnen, dan volgen de gehandicapten en
tenslotte mogen wij als economy passagiers rij voor rij onze plaats gaan opzoeken. De
aankondigingen zijn zowel in het Spaans als het Engels en zijn soms gewoon
onverstaanbaar ongeacht de gebruikte taal. Vragende blikken, verwarring en
gedrang zijn dan ook het gevolg. Enfin, om zeven uur 's avonds zitten we weer in
de lucht. We ontwaren nog net een glimp van het World Trade Centre dat als een
reusachtige lucifer nagloeit in het warme licht van de ondergaande zon.
5.
Met Delta naar Mexico City
Het personeel tijdens deze vlucht (een echte vlucht
met een Deltavlieger ... ) is anders gemengd dan de eerste crew: de Nederlanders
zijn vervangen door Spaanstaligen. Een van die Mexicaanse stewardessen spreekt
wat Nederlands, dat heeft zij van een vriend (of vriendin, dat is niet
duidelijk) uit Utrecht geleerd. Clim zit naast een bejaarde Jood uit Mexico die
hem wat tips geeft bij het invullen van de vereiste entry formulieren, deze
zitten namelijk nogal onlogisch in elkaar. Deze vlucht is iets korter en duurt
vijf uur. Als film krijgen we nu "The Man with the Iron Mask"
voorgeschoteld. We kijken niet, maar proberen ondertussen een beetje te slapen.
Langdurig vliegen we laag boven Mexico City, de grootste stad van de wereld.
Clim geniet vol bewondering van de miljoenen lichtjes die daar beneden als een
eindeloze lichtshow schitteren. Daarna gaat alles heel snel, tot onze verbazing
moet ik toegeven. Ik had meer oponthoud, bureaucratische rompslomp en corrupte
ambtenaren verwacht. Om elf uur staan we al in de aankomsthal. Clim wisselt bij
een wisselkantoor enkele van zijn Thomas Cook-traveler cheques ($300) om in de
plaatselijke valuta pesos. Later blijkt hij een wel erg ongunstige koers
ontvangen te hebben, maar dat hadden we kunnen weten. Op vliegvelden is dat vaak
het geval. In het weekend en ook nog tegen de nacht heb je echter weinig keus,
want de officiële banken zijn dan gesloten. Voor tien dollar bemachtigen we een
taxi boleto (ook veel te duur, maar wat wil je anders) en we springen in een
taxi die ons naar hotel Capitol in de Calle Republica de Uruguay midden in het
historische centrum brengt. Overdag zijn de brede avenidas verstopt, maar op dit
late uur lijken ze wel uitgestorven.
|