21.
Koers naar het noorden
We hebben besloten een late bus te
nemen, zodat we nog wat tijd hebben om in wat parkjes te relaxen en een enkele
mooie kerk in de nabijheid te bezoeken. Bij de universiteit staan de studenten
in de rij om zich voor het begin van het studiejaar in te schrijven. Opvallend
veel aantrekkelijke jonge meiden staan er bij, ze zijn zelfs in de meerderheid.
Niets hier doet denken aan het armoedige, achtergebleven platteland. Stipt om
half twaalf vertrekt de bus voor een 4 uur durende rit over de hoogvlakte. We
stoppen in de stadjes Moroleon, Salamanca en Irapuato. De chauffeur is een
aardige man die begrip heeft voor onze rookverslaving. Onderweg is niet
veel te zien: grasland en maïsakkers bedekken het vlakke land. Een keer rijden
we over een verhoogde weg die door een drooggevallen meer leidt. Tijdens de
stops komen er passagiers bij, andere verlaten de bus. Dit wordt geregeld door
een soort busstewardessen: onveranderlijk zijn dit aantrekkelijke jonge
vrouwen die onberispelijk gekleed gaan, maar het volk zeer uit de hoogte
behandelen. Echt vriendelijk zijn ze niet; zelden kan er een glimlachje van af.
22.
De zilverstad Guanajuato
|
Het laatste kwartier rijden we de
bergen in. Als we een diepe kloof bereiken zien we de stad Guanojuato in de
diepte liggen. Het autobusstation ligt ver van de stad af, in het beperkte
centrum is daar geen plaats voor. Een taxichauffeur met de naam Pablo (zijn
alias is 'El Mister' vertelt hij niet zonder trots, van oorsprong is hij
elektromonteur) brengt ons naar het Alhondiga-hotel. Bij het afrekenen
blijkt hij toch een behoorlijk mondje Engels te spreken. Nou ja, ben ik
tenminste in de gelegenheid geweest om mijn Spaans een beetje te oefenen. Het
hotel is duur en we hebben duidelijk de indruk dat we worden opgelicht, zeker
als we het gebodene aan een nader onderzoek onderwerpen. We hebben echter geen
zin om verder te zoeken om te verkassen, dus we accepteren de prijs tegen wil en dank. De
volgende dag vinden we pal aan de overkant van de straat bij Hotel Murillo een
betere kamer voor de helft van de prijs. Daar hebben we wél een douchegordijn,
kleerhangers, handdoeken, een nachtkastje, een lift en glazen; allemaal dingen
die we bij het Alhondiga moeten ontberen. Enfin, we gaan de stad in. We slaan de
raad van Pablo de taxichauffeur in de wind en lopen eigenwijs de andere kant op.
Via een omweg door steegjes en over een heuvelrug komen we toch in het centrum
aan. We hebben weliswaar een plattegrond van de stad, maar die is knap
waardeloos. Op een fraai pleintje, waar net een boekenmarkt wordt gehouden,
drinken we in een zonnig hoekje koffie en bier. De stad is bijzonder
toeristisch, maar dat stoort ons niet echt. Mooie architectuur die stamt uit de
hoogtijdagen van de zilverwinning in de mijnen die de stad omringen. Het theater
en de overdekte markt zijn heel attractief. Ook de kerken mogen er zijn. We
lopen ongehinderd de universiteit binnen en spelen wat met Internet in een van
de hallen. Er wordt ons geen strobreed in de weg gelegd. Na enig zoeken vinden
we een eenvoudige eetgelegenheid. Tot half tien zitten we op ons gemak met een
biertje in de hand op een pleintje vlakbij ons hotel. We genieten van de
vredige, kleinsteedse sfeer. Ondanks dreigende luchten blijft het die avond
droog. Die nacht blijkt dat onze kamer zich naast een disco en een luidruchtig
familiehotel bevindt. We balen behoorlijk hier; de wc is zo klein dat je er
zittend niet eens je kont kunt afvegen! |
 |
23.
Het Pipila monument
|
Als we 's morgens het hotel verlaten,
worden we teruggeroepen met de vraag of we ook wel betaald hebben. Dit wordt me
te bar; eerst je het vel over de oren trekken en daarna ook nog eens suggereren
dat wij degene zijn die de zaak willen flessen! De receptionist weet niet wat
hem overkomt als ik ongehoord fel mijn gemoed lucht. We trekken in bij hotel
Murillo aan de overkant: prettige bediening, mooiere entree, betere
voorzieningen. We drinken er eerst koffie in het schone restaurantje dat bij het
hotel hoort. Daarna lopen we via de hoofdstraat, waar wél druk verkeer is, naar
het Pipila-monument dat op een heuvel naast de stad ligt. Eerst verlopen
we ons dankzij die beroerde plattegrond, maar alles gaat hier op kleine schaal
toe, dus dat kost ons niet veel tijd. Bij het monument van de moedige mijnwerker
die ooit de stad van de Spanjaarden heeft gered, hangt veel meer volk rond
dan verwacht. Je kunt er ook met de bus komen en dat is dan ook precies wat de
autochtonen gedaan hebben. Alleen vreemdelingen zoals wij beklimmen er de steile
hellingen. Hoewel het een bewolkte dag is, breekt af en toe toch een waterig
zonnetje door. De panorama's zijn interessant en strekken zich over de gehele
vallei uit. We blijven er een uurtje en dalen dan weer af naar de stad, waar we
een streekbus pakken naar de overkant van de vallei. |
 |
Daar stappen we uit bij 'El
Templo de Valenciana', een rijk bewerkte rococokerk waarvan de bouw gefinancierd
is met de opbrengsten van de gelijknamige zilvermijn in de buurt. Ook die mijn
bekijken we, hoewel er niet zo veel te zien is op een enkel kraampje met
zilveren sieraden na. We hebben er wel weer een heel ander onverwacht uitzicht
op de stad diep beneden ons. Er is ook geen museum of expositie over mineralogie
of zoiets bij gebouwd. Wél ligt er een namaakmuseum met als thema de gruwelen
van ondergrondse mijnbouw, met name het bijgeloof van de Indianen gevoed door de
ondergrondse boze geesten. Het komt bij ons over als een goedkoop griezelkabinet
van de kermis. Een dikke boy leidt ons rond in dit spookhuis. De attractie is in
elkaar geflanst door zijn hele familie.

24. La Boca del
Diablo
Als we
vertrekken zien we nog net hoe een ploeg mijnwerkers uit de lift te voorschijn
komt om te schaften. Ze komen uit een schacht van meer dan 500 meter diep; door
de Indianen die hier gedwongen te werk waren gesteld werd dat afschrikwekkende
gat 'La Boca del Diablo' (de mond van de duivel) genoemd. De mijn is jarenlang
gesloten geweest, maar toen een tiental jaren de zilverprijs ineens weer steeg
en het winnen van zilver weer rendabel werd, hebben de eigenaren de mijn opnieuw
in bedrijf gesteld. In een nabije cantina bestellen we torta's die door de
cantinajuffrouw liefdevol worden bereid.
Daarna bekijken we pas echt de
Valenciana kerk van binnen. Het interieur is er echt overdadig, vooral de drie
altaren, die tot het plafond reiken, springen er wat de versieringen en
tierelantijntjes betreft bovenuit. Enkele van de details bekijken we nader met
behulp van de verrekijker, dat werkt goed. Er worden ook rondleidingen door de
kerk gehouden, want buiten rijden de toeristenbussen met Mexicaanse
gelovigen af en aan. Als Clim buiten op de trappen een artistieke foto van de
kerk wil nemen, besmeurt hij zijn kleren met oranje vlekken verf. 's
Avonds
zoeken we in een ander gedeelte van de stad een restaurant, maar we vinden niets
van onze gading. Uiteindelijk belanden we in het centrum bij een restaurant met
een eenvoudig lopend buffet. We worden er bediend door een erg Europees
uitziend, pittig meisje, waarvan Clim vindt dat er zo "tientallen in mijn
klassen zitten”. Dan worden ineens weer de sluizen van de hemel opengezet, wat
gepaard gaat met hevige donderslagen die ons elke tien seconden opschrikken. We
steken onze paraplu's op en zoeken een cantina op om ook van binnen nat te
worden.
Guanajuato
|
Stad in Mexico, hoofdstad van de
gelijknamige staat, op 2010 m hoogte, aan de Rio de Guanojuato, met 150
000 inw.Guanajuato
is
van oudsher centrum van land- en mijnbouw (zilver, koper, lood,
kobalt); industriële verwerking van mijnbouwproducten. Daarnaast van
belang als universiteitsstad (Universidad de Guanajuato, 1732) en
toeristisch centrum. In de stad zijn diverse musea, w.o. het Museo de
las Momias (Indiaanse mummies), een museum met werk van Diego Rivera,
het Don Quichotmuseurn (1987) en het historisch museum, dat is gevestigd
in het Alhóndiga de Granadita, een voormalig fort dat aanvankelijk werd
gebouwd als graanschuur. Toerisme.De stad is fraai gelegen in een kloof
langs de rivier en ligt tegen de steile hellingen opgebouwd. Er zijn
diverse kerken uit de koloniale periode, w.o. de bezienswaardige San
Roque (1726; vroegbarok), San Diego (1663), San Francisco (1671) en de
jezuïetenkerk La Compañia (1747-1765); daarnaast de geelgepleisterde
basiliek Nuestra Señora de Guanojuato (eind 17de eeuw) en, buiten de
stad, de zeer bezienswaardige hoogbarokke kerk La Valenciana (1765-1788;
met fraai bewerkte façade), destijds gebouwd voor de werkers van de
gelijknamige zilvermijn, die toen de rijkste ter wereld was.
Vele van de
oude zilvermijnen zijn te bezichtigen; de meeste zijn thans nog in gebruik.De zilvermijnbouw vindt reeds plaats sinds 1548. Guanojuato werd
in 1741 verheven tot stad en was in 1810 de eerste stad die in handen
viel van de rebellen onder Miguel Hidalgo, waarna de welvaart drastisch
verminderde; pas in de 20ste eeuw bloeide ze weer op, nu dankzij de
toeristenindustrie. |
We komen terecht in een lawaaierig hol
vol ongure typen. De meeste figuren verkeren er in enigerlei mate van
dronkenschap. Sommige bietsen een sigaretje van ons. Hier drijft het menselijke
wrakhout van de Mexicaanse maatschappij. Er zijn een sneeuwerige televisie en
een ouderwetse jukebox aanwezig. De pisbak staat open en bloot in een hoek van
het café. Ik voel me er niet echt op mijn gemak, maar Clim voelt zich wel in
zijn element; die kan overal aarden als er maar pils verkocht wordt. De slagregens
houden de hele avond en nacht aan, maar echt hinder ondervinden we er niet van.
25.
Dolores Hidalgo, wieg van de revolutie
We brengen een rustige ochtend door,
hoewel we ons beide niet erg lekker voelen. Clim heeft de hele nacht barstende
hoofdpijn gehad, iets waar hij uiterst zelden last van heeft. Ikzelf loop rond
met ontstoken tandvlees; niet erg pijnlijk, maar wel vervelend met eten, zeker
bij gepeperde gerechten. We hebben tijd genoeg om het Alhóndiga complex
tegenover ons hotel te bekijken. Het is een voormalige graanopslagplaats, die
ook als fort dienst deed om het kostbare eten tegen uitgehongerde, opstandige
indigena's te bewaken. Bij dit gebouw verwierf de mijnwerker Pipila zijn
onsterfelijke roem. Het complex doet nu dienst als museum voor stad en
omgeving;
er wordt veel aandacht geschonken aan pre-Columbiaanse culturen en aan de eeuwen
dat de zilverwinning floreerde. Het museum munt verder uit in mooie
muurschilderingen
uit het midden van deze eeuw. Na een kort bezoek aan de met veel smeedijzer
uitgeruste Hidalgo Mercado uit 1905 nemen we een taxi naar het autobusstation.
Daar komen we zowaar een Hollands echtpaar op leeftijd tegen die Mexico op
dezelfde manier 'doen' als ons, erg ervaren lijken ze niet. We hebben niet
gereserveerd, dat was niet nodig zei men aan de balie. En inderdaad, we komen in
een vrijwel lege bus terecht. Na een half uur door bergen en naaldwouden rijden,
komen we op de kale hoogvlakte. In het stadje Dolores Hidalgo hebben we
de eerste pauze. De naam van de plaats verwijst naar een heroïsche periode uit
Mexico's geschiedenis. Hidalgo was een priester die van hieruit de opstand tegen
de Spaanse kolonisator leidde. De rebellie bleek na een tiental jaren
uiteindelijk succesvol, maar Hidalgo zelf eindigde zijn leven bungelend aan een
koord op een van de hoeken van het Alhóndiga in Guanojuato. Daarna gaan we
verder over de saaie hoogvlakte die na een uur overgaat in een dorre
woestijnvlakte met duizenden cactussen. Onderweg stoppen we regelmatig om
plattelandsbewoners op te pikken. Meestal moeten die er tien, twintig kilometer
verderop al weer uit. De reis duurt de hele middag. Tegen zes uur komt ons doel
in zicht.

|