|
|
|
Dubbel
maandloon voor chauffeurs
We verlaten het wildpark. Net voor het vertrek krijgen we ons nog klamme wasgoed retour. Paffie's vrouw, met een aristocratisch air over zich, zegt ons toe dat we daarom korting krijgen. De chauffeurs krijgen alvast hun fooi: in totaal vangen ze ieder bijna twee maal hun maandloon! In een rustig tempo dalen we af naar de vlakte rondom Mysore, dat op 700 meter hoogte gelegen is. We moeten aan de grens met deelstaat Karnataka weer enige formaliteiten ondergaan. Ons hotel is centraal gesitueerd. Ernaast is een uitstekend restaurant waar we onmiddellijk lekker lunchen. Het is er wel te donker naar onze smaak, maar het kwaliteitsvolle voedsel maakt dit goed.
Imponerend
Maharadja-paleis
Op straat nemen we een motorriksja die ons echter,
tegen de afspraak in, eerst naar een souvenirwinkel brengt. We willen dit
persé niet en furieus dwingen we hem terug te gaan en naar het Paleis te
rijden. Naar fooi kan hij fluiten. Bij dat Handicraft Emporium kon de riksja
wallah natuurlijk commissie krijgen, zo gaat dat. Jos koopt een paar bundels
wierookstokjes, specialiteit van Mysore naast het sandelhout, en we gaan het
paleis binnen. Enorm groot en mooi, goed bijgehouden en opvallend veel
autochtone toeristen op de been. We geven onze schoenen af en bekijken de
zaak op ons gemak. Overal straalt luxe van uit: zelden zo'n mooi en rijk
bewerkt gebouw gezien. Niet alles was open, maar datgene wat we konden
bekijken maakte een onuitwisbare indruk op ons. Wat een overdaad. Wat een
schoonheid. We moeten er niet aan denken hoeveel mensenlevens dit alweer
gekost heeft. We ontmoeten er de Belgische architect in ruste Maurice, met wie
we verder optrekken in het Museum. Maurice heeft een “regenscherm" bij zich en een
"poel" aangetrokken. Zijn "foto-appareil" heeft hij in
zijn "valies" laten zitten. Hij koopt enkele
"zichtkaarten" bij een “magazijnke" voor souvenirs. Hij vindt
het best een "schoon" plafond, daarboven ..... Het belendend museum
is minder spectaculair. Wat goud- en zilverwerk, wapens en duur
meubilair, draagstoelen, enz.
Mysore:
stad naar ons hart
We
gaan te voet verder de stad in. Drinken hier en daar thee en koffie, lopen wat
doelloos rond. We kijken onze ogen uit; in deze stad hoef je je geen seconde
te vervelen! We zitten in de buurt van een busstation, daar is altijd veel
volk op de been en dus wat te beleven. Wat is de bevolking van dit land toch
rijkgeschakeerd! Er is geen land op aarde waar zoveel verschillende
mensentypes rondlopen. Alle ervaren reizigers geven dit volmondig toe. We
kunnen dit alleen maar beamen. Mysore is nu al een stad naar ons hart. Konden
we hier maar enkele dagen langer blijven. Lekker eten kun je er ook. In het
‘Jewel Rock Restaurant’ richten
we onder ons tweetjes een waar feestdiner aan: soep, Amerikaanse steak,
sizzler-vlees, spinazie, noodles en flessen gekoeld San Pedro-bier. Die
uitspatting kost ons nog geen zeven gulden de man, inclusief een ruime fooi
....
Verkeerde laundry bezorgd
Om half zeven gaat de deurbel en direct daarop stapt een jochie met wasgoed ongegeneerd binnen. We liggen nog te pitten. Clim vindt dit maar brutaal, maar betaalt de knaap toch de 'laundry fee'. Jos ontdekt dat de fris gewassen kleren ons helemaal niet toebehoren. Er ontstaat een hele scčne, het jochie begrijpt er niets van, de floormanager evenmin. Dus de grote baas er maar bij gehaald. Na veel vijven en zessen wordt de zaak gesust. Het ergste vinden we het feit dat het personeel zomaar overal onbekommerd binnenstruint. We ontbijten om de hoek in een autochtone eettent. We eten er een voedzame uiendosa, een soort pannenkoek. We zijn er de langzaamste eters, de Indiërs schrokken hun maal vliegensvlug op, misschien bang dat iemand hun het voedsel komt afpakken. Jos start na lang aarzelen met een antibiotica kuur. Zijn koortslip is uitgegroeid tot een forse zoeloelip en is erg pijnlijk. Het is geen gezicht. Het veroorzaakt ook moeilijkheden met eten, vooral bij pittige kost waarvan juist hij een ware liefhebber is.
Processie
op Chamundi Hill
Tegen tien uur pikt Francis, ‘driver number two’, ons op en rijden we naar het pelgrimsoord Chamundi Hill. Alweer een heilige tempel, lastige venters, een ceremoniële tempelkarprocessie, een sadhoe met een 2 meter lange haarvlecht, opdringerige Brahmaanse gidsen. Een fles water loopt in Clim zijn schoudertas leeg, waarop hij vloekend al zijn natte spullen, waaronder reispapieren en paspoort, in de zon te drogen legt. Op de terugweg bezoeken we nog de kolossale Nandi-stier halverwege de helling. Het stikt er van de brutale apen. Een van hen probeert de ruitenwisser van ons busje los te wrikken. Aardig panorama van de stad die aan onze voeten ligt. Francis gaat op zoek naar groepsgenoten. Die zijn achtergebleven, denkt-ie, maar wij weten dat ze te voet de berg zijn afgelopen. Francis is er echter niet gerust op, we denken dat hij de toorn van de toeans vreest, mocht hij hen toch vergeten zijn.
Thee in
stijl in Lalgita Paleis
We rijden naar het imposante Lalgita Palace, een voormalige maharadja paleis dat we al in de verte in de vlakte hadden zien schitteren . Het is tegenwoordig een vijfsterrenhotel. We drinken er thee met enkele anderen, geheel in stijl. Francis blijft in het busje, hij voelt zich niet thuis tussen het glimmende marmer en de geslepen spiegels. We bezichtigen de stijlvolle, overkoepelde eetzaal, de trappen van koninklijke omvang, de standbeelden, reliëfs, schilderijen en kroonluchters. De clientčle bestaat overwegend uit Fransen en Italianen, als rechtgeaarde levensgenieters eisen zij ook in den vreemde het neusje van de zalm. De prijs van onze vier kopjes thee is een equivalent van 100 kopjes aan een stalletje langs de straat. Maar goed, theedrinken in het Lalgita Palace heeft een ruime toegevoegde waarde waarvoor we graag extra diep in de buidel tasten.
Rooms-katholieke
kathedraal
Eenmaal terug in het centrum moeten we eerst geld wisselen (persoonlijke ontvangst, het kantoormeubilair is allemaal genummerd), naar het postkantoor (probleemloze afhandeling, zie je wel dat deze stad oké is) en de fotostudio. De foto's zijn goed en Clim springt in een riksja om nog eens 10 rolletjes in het hotel te halen. Daarna komen we al rondwandelend door een Islamitische wijk terecht bij de rooms-katholieke kathedraal St. Philomena. Het is een middelgrote kerk met een crypte die druk wordt bezocht. Op en aan het kerkplein liggen lagere scholen. Daar gaan we een kijkje nemen.
Onze komst
baart groot opzien. De kindertjes verdringen zich met honderden om ons heen.
De oudere spreken al wat Engels en willen piloot of dokter worden. De meisjes
houden zich afzijdig. Overal zitten kinderen op het gras te eten, hun lunch
bestaat uit een pannetje rijst. We maken een praatje met een onderwijzeres die
ons vertelt dat er 1.050 leerlingen zijn, verdeeld over 15 klaslokalen. Jos
noemt zijn naam en de kinderen scanderen: "Jos! Jos! Jos!". Als Clim
zijn fototoestel te voorschijn haalt, is het hek van de dam. Het gejoel
krijgt orkaankracht en de meute wil op de foto, liefst allemaal tegelijk. We
moeten ons terugtrekken; de allerkleinsten dreigen in het gewoel onder de voet
te worden gelopen. Dat willen we niet op ons geweten hebben. Overigens, de
school is wel christelijk, maar er mogen ook Hindoe- en Moslimkinderen naar
toe. Tenslotte wat de kerk betreft: er is een Lourdes-grot ter ere van de
Maagd, mooie glas-in-lood ramen, in de crypte ligt Lazarus en in de zijbeuken
bevinden zich de 12 staties. De stijl is neogotisch.
Brutaal de
universiteit verkennen
Met de riksja rijden we naar het westen van de stad,
waar een verzameling monumentale gebouwen ligt. De meeste stammen uit de
Engels koloniale tijd en zijn nu kantoren van ministeries of dependances van
de Universiteit. We lopen overal gewoon naar binnen en bekijken alles op ons
gemak. Nergens worden we weggejaagd. In slechts een van de zalen van de
universiteit mochten we niet binnen; er is net een examen. In een Instituut
voor Sanskrietstudies krijgen we van de plaatselijke filoloog een
rondleidinkje: hij toont ons duizenden rollen manuscripten op papyrus en
perkament die nog niet vertaald zijn. Geschatte ouderdom 2500 jaar. Misschien
zitten er wel stukken bij van onschatbare historische waarde. Er liggen ook
palmbladeren opgeslagen, ingekerfd met schrifttekens van een lang verloren
taal. In een wel erg armzalige mensa, een gebouw zonder wanden, wordt ons voor
een dubbeltje een bord rijst met pepertjes opgediend. Af en toe worden we
aangesproken door de studenten of wetenschappelijke assistenten die allen goed
Engels spreken.
Levendige
groentemarkt
Als we weer terug zijn in het centrum kopen we bij
een moslimwinkel enkele mooie beeldjes van sandelhout. Jos betaalt er met zijn
Visa‑kaart. Er heerst een oosterse sfeer en de jonge, gladde verkoper
weet hoe hij met westerse klanten moet omspringen. Vlakbij ligt de Devaraja
groentemarkt, zeer kleurig en netjes met goedlachse handelaars. We maken er
heel wat foto's. Een aantal ervan sturen we later op, we hebben de adressen
van de handelaren genoteerd. In de buurt moet ergens een moskee zijn die we
willen opzoeken, maar we vinden de ingang niet. We zien wel de minaretten,
maar het heiligdom is geheel omsloten door woonhuizen. V66r negen uur gaan we
de foto's ophalen. We zijn tevreden over het resultaat.
Basisbehoeften
op de nachtmarkt
Tegen sluitingsuur (23.00 uur) zitten we nog in de bar, als plotseling een hele groep reisgenoten binnenkomt. Er wordt fors gedronken en kijk, de bar blijkt toch door te kunnen gaan tot de kleine uurtjes. Zolang er maar klandizie is; een gezond standpunt volgens ons. We maken gretig van de gelegenheid gebruik en bestellen opnieuw, nu ook voor Myriam die bij ons is komen zitten. Jos gaat nog even op de nachtmarkt water, whisky en sigaretten (“Gold Flak, no filter, please!”) halen en komt terecht in een meeting van honderden riksja's.
Zeven
tussenstops
We staan om zeven uur op. Het is maar 150 km naar
Bangalore, maar we zullen nog "een paar" tussenstops maken onderweg,
daarom vertrekken we toch op tijd. Niemand ontbijt, op ons na. We eten om de
hoek in de autochtone tent waar de anderen het te vies vinden. Dat is
volstrekt bezijden de waarheid, naar Indiase begrippen is het er schoon en
netjes. Ze willen gebakken eieren met spek, daar zit 'm de kneep. Nu gaat dat
er bij ons ook in, maar in India kun je nu eenmaal niet alles hebben. Om kwart
over acht vertrekken we voor een laatste gezamenlijke, en dit keer melige rit
over de hoogvlakte van Karnataka.
Een productieve streek
In de loop der eeuwen werd het gebied dat nu Karnataka heet geregeerd door
een reeks van vorstenhuizen. In de 3e eeuw bestuurde het Maurya - rijk het
gebied. Tussen de 6e en 8e eeuw was de Chalukya - dynastie heer en meester
over het grondgebied van Karnataka. De Chalukya breidden hun macht uit tot
over de zuidelijke Staten waardoor zij tussen de 10e en de 12e eeuw een
machtig koninkrijk konden vormen en in staat waren te wedijveren met het
Chola - koninkrijk, dat het centrale deel van het Deccan - plateau in handen
had. Verder naar het zuiden regeerde de Hoysala-dynastie, maar na de
mosliminvasies van 1311 en 1327 kwamen deze gebieden in handen van het
hindoekoninkrijk Vijayanagar. Toen de Mogol - dreiging groter werd, viel het
gebied uiteen in een veelheid van kleine vorstendommen. Het hindoekoninkrijk
Wodeyar verwierf in het zuiden van India de meeste macht en viel in handen
van Haidar Ali, die werd opgevolgd door zijn zoon Tippu Sultan. Net als zijn
vader verzette deze zich met steun van de Fransen tegen de indringende
Engelsen en Marathen in het zuidelijk deel van het Deccan - plateau. Dit
leidde tot het uitbreken van de oorlogen van Mysore, waarvan de vierde in
1799 eindigde met de nederlaag van Tippu Sultan. De Britten lieten
vervolgens de troon over aan de Wodeyar-dynastie, die over Mysore regeerde
tot de herindeling van de Deccanstaten in 1956. In 1973 werd de naam van het
gebied veranderd van Mysore in Karnataka, een Indiase deelstaat die
samenviel met het taalgebied van het Kannada. Er bestaan echter omvangrijke
minderheden die andere talen spreken, waaronder het Tamil, het Telugu en het
Konkani. |