|
|
Stad
van moghul Aurangzeb
Aurangabad is een stad van 200.000 inwoners, maar naar het stationnetje te beoordelen zou je dat niet zeggen. Het is zeven uur in de ochtend als we er aankomen en het heeft pas geregend. We wachten tot alle sjouwers weg zijn en lopen het stationsplein op. Met een taxi laten we ons naar het Ambarukka-hotel brengen. Het is een topklasse hotel, dat helaas vol blijkt te zijn. Dan willen we naar Hotel Nandavan, maar de taxichauffeur en zijn maat, die gratis meerijdt en het woord doet, dwingen ons min of meer naar een ander hotel. Clim wordt boos en steekt daar een stokje voor. Nandavan wordt het dus. Bij het afrekenen wordt ineens de prijs vijf keer zo hoog als afgesproken, waarop Jos op zijn beurt uit zijn vel springt en zelfs met lichamelijk geweld dreigt. Na wat tegensputteren verdwijnen de chauffeur en zijn handlanger. Clim heeft ook nog de hoofdhuid op zijn schedel opengehaald, terwijl hij de tassen uit de kofferbak haalde. Toegegeven, erg plooibaar zijn we vandaag niet. Aan de receptie regelen we direct een excursie naar de grotten van Ellora en bestellen we buskaartjes naar Bombay. Geen probleem hier, wat fooi erbij en de zaak is in kannen en kruiken. De kamer is niet al te best, vooral het sanitair is walgelijk, maar voor een prijs van een tientje kun je niet meer verwachten.
In
de regen naar de grotten
Rond het middaguur zijn we weer in beweging, het
motregent en we zitten in de riksja naar de grotten van Aurangabad even buiten
de stad. Er liggen twee groepen grotten, die we beide bezoeken in de motregen. Het is
gevaarlijk glibberig op de rotsen. Behalve ons zijn er nog enkele jonge
reislustige paartjes, Hollanders natuurlijk, die de regen voor lief nemen.
Uitzicht over een verregende stad. Overal liggen overblijfselen uit de grote
Moghultijden van Aurangzeb: universiteiten, moskeeën, paleizen,
karavaanserails, tombes. We zitten weer in moslimland hier. Deze keer zijn we
onze regenjassen niet vergeten, we transpireren eronder als paarden. De
vriendelijke riksja wallah brengt ons anderhalf uur later terug. Bij het
afrekenen gebruikt hij een omrekentabel, het komt er op neer dat de meterprijs
wordt verdubbeld. Aanpassing aan de hoge inflatie, naar men zegt. We geloven
het wel.
Zo
maar wat lanterfanten
De
rest van de dag voeren we niet veel meer uit. We
geven het wasgoed af en luieren wat rond. Door het regenrijke weer is
dit echt een cryptodag geworden. Zowel lunch als diner nemen we in het
hotel-restaurant; er zijn er zelfs twee, wèl en niet-vegetarisch. Het
laatste is onze keuze. Bij het
vegetarische kopen we alleen ons mineraalwater. De bediening is niet zo
best, maar de baas van het spul is een vakman. Dat vertellen we hem ook,
waarop hij nog meer zijn best doet het ons naar onze zin te maken. We genieten
er van een uitstekende tandoori chicken, een Indiase specialiteit in een
kleioven gebakken. Meestal is die iets duurder dan de doorsnee gerechten op het menu.
De bar ligt achter het hotel en is een verrassing. Het ziet er schoon en
verzorgd uit en er is een overvloed aan verlichting. Onze baas zwaait hier ook
de scepter. Persoonlijk sleept
hij onze pinten aan, natuurlijk zorgt hij voor de best gekoelde flessen. Het
is er doorgaans tjokvol met
jonge, goed geklede jongeren. En wij maar denken dat moslims niet drinken!
Voor het eerst hebben we onze malariatabletten
vergeten in te nemen; dat komt doordat de treinreis ons vast ritme heeft
verstoord. Alsnog nemen we de twee paludrine-pilletjes in. Ze smaken
heel bitter.
Daulatabad Fort en Aurangzeb’s Tombe
Sandwiches met kaas als ontbijt, dat kan hier. Buiten wachten op tourbus, komt een kwartier te laat. We denken al bezorgd dat ze ons zijn vergeten. In de bus zitten al 25 personen: 6 Hollanders, 2 Italianen, 2 Fransen en de rest zijn Indiase toeristen met verwende kinderen. Het fort Daulatabad is indrukwekkend. Het fort is nooit ingenomen, althans niet door krijgsgeweld, wel door verraad van de poortwachter. Het ligt op een hoge, kale rots die geïsoleerd in het landschap gelegen is. Peilloos diepe grachten er omheen. Clim is zeer enthousiast over deze schier onneembare vesting. Ver uitzicht over het vlakke land. Moskeeën en veel ruïnes erbij. We gaan niet door tot de top, dat kost te veel tijd. De volgende stop is het graf van de moghul Aurangzeb, zeer eenvoudig in de Durga-tombe van Kulnabad. We blijven buiten, er hangt namelijk een gewijde islamitische sfeer, het is een soort heiligdom. Natuurlijk met een moskee erbij en veel oude mannen met gespleten baarden. We moeten weer een rits kinderen die hardnekkig om baksjies vragen wegjagen. Door de voortdurende regen veel modder op de grond, vies en glad.
|
|
|
Fenomenale
Kailash-tempel in Ellora
De grotten van Ellora zijn veel grootser dan Aurangzeb's graf. We bezoeken de Hindoe en Jaïn ‑grotten. Het meesterstuk is de Kailasja-tempel, een enorm gebouw dat uit één stuk rots is gehouwen. Wat een werk! Alles uit een stuk, ook de duizenden beelden aan binnen- en buitenkant. Jammer dat we niet meer tijd hebben. De Jaïn grotten zijn ook heel mooi, maar een stuk kleiner. Alle grotten worden gekenmerkt door prachtig beeldhouwwerk. Hier zijn weer meer toeristen, vooral Indiërs. We lunchen ergens op het terrein. Een volgende bezoek aan een tempel slaan we over, dat wil zeggen we blijven in de bus zitten. We hebben zo langzamerhand genoeg tempels gezien. Clim heeft sjans met een bloedmooie bloemenverkoopster (of zijn het sieraden die ze verkoopt?). We keren terug naar Aurangabad. Daar zijn nog twee attracties te bezoeken. |
Het Bibi ki
Maqkab gaat door voor een schamele kopie van de Taj Mahal, "Poor men's
Taj" volgens onze reisgids. Het heeft wel iets, maar er zijn
minderwaardige materialen gebruikt en het is niet zo goed geconserveerd. We
maken er een praatje met een leraar aan een politieschool.
Clim werpt een blik in de tombe zelf, waar het dode lichaam rust van een van Aurangzeb’s vrouwen. Veel dagjesmensen. Het is inmiddels beter weer geworden, een waterig zonnetje is doorgebroken. De Kanchakki-watermolen is het laatste wat we bezoeken. Van de molen is weinig over, wel ligt er nog een visvijver en wat oude gebouwen. Jos probeert twee jonge meisjes (half kind, half vrouw, op rand van de puberteit) te verleiden met goedkope pennetjes. Naast de moskee staat een enorm brede banyanboom van 400 jaar oud. De rest van de dag hebben we niet veel vermeldenswaard meer gedaan. Jos baalt, hij loopt de hele dag rond met piepende bronchiën, een verstopte neus en onbedaarlijke hoestpartijen.
We laten onze bagage achter en lopen het stadje
in. Onderweg eten we bij Hotel Chanakya, waar een lilliputter soeverein de
zaken voor de ingang regelt. We lopen naar het station, zomaar, daar is altijd
wat te zien. Vandaag hebben we geen echt doel, verloren zitten we aan een
stalletje vol vliegen suikerrietsap te drinken. Een voorbijganger brengt ons
op het idee om naar het Archeologisch en Historisch Museum te gaan. Hij regelt
ook het vervoer.
De
beide musea liggen buiten de stad in een karavaanserail. Ze zijn niet zo
bijzonder: wat beelden en foto's. Men schrikt er als men ons ziet aankomen:
bezoekers, en dan ook nog westerlingen! Ook de riksja walla komt hier voor
het eerst en geïnteresseerd loopt hij met ons mee de expositieruimte door.
Buiten worden de muren gerestaureerd door archeologen (dat wil zeggen, door
hun werklui die voornamelijk vrouw zijn en het zwaarste werk doen zoals stenen
sjouwen); we maken een praatje met hun. De prof zit kwabbig in een stoel onder
een paraplu orders uit te delen, sigaretjes te paffen en thee te slurpen. Hij
heeft ons weinig mee te delen.

Kailash - tempel, uit één stuk gehouwen....
![]() |
![]() |
Via de campus van de universiteit (15.000 studenten hier, wie had dat gedacht?) komen we in de binnenstad, waar we ons in het stadspark laten afzetten. Als we op een bankje in het zonnetje zitten te puzzelen, horen we plotseling een leeuw brullen. Een leeuw, hier? Die lopen zelfs in India niet meer los rond, dus moet er ergens een dierentuin zijn in de buurt. Wij die opgezocht. Aan de poort alweer een slimme dwerg die de zaken vakkundig bestiert. Behalve de leeuwen (die homoerotische spelletjes doen uit verveling), tijgers en antilopen is er niet veel bijzonders te zien. We ontmoeten een zwarte jongeman, hij lijkt op een Surinamer. Dit kan geen Indiër zijn, denken we, iets tè zwart. Hij spreekt ons aan in het Engels. Het is een christelijke Keniaan die hier in Aurangabad studeert: dat is veel goedkoper dan in de States en de diploma's worden ook nog eens internationaal erkend. Ze willen hem tot moslim bekeren hier, en dat zit hem eigenlijk niet lekker. Het is een leuke en vlotte knaap. Volgens hem zijn er zo’n 1.000 studenten uit zwart-Afrikaanse landen op de campus.

We besluiten gezien de overvloed aan tijd naar het
hotel terug te lopen. Prompt verdwalen we in een van de betere woonwijken. Een
riksja helpt ons weer op de goede weg. Voor het avonddiner keren we terug naar
het Chanakya Hotel, waar ze een heerlijk omzoomd terras rijk zijn, een van de weinige die we in India gezien hebben. Enkele biertjes als aperitief,
waarna we aanschuiven voor wat een feestmaaltijd zou moeten worden. Dat valt
bitter tegen. De vleesmaaltijd van Clim bestaat bijvoorbeeld enkel uit botjes
met stukjes spierweefsel eraan; wèl lekker gekruid, toegegeven. Het personeel
is er uit de kunst, dus we worden niet erg boos.
Om acht uur pikken we onze bagage op. We nemen
afscheid van de uiterst professionele en vriendelijke receptionist (degene
die onze kaartjes heeft verzorgd) en laten ons bij Welworth Circle, een druk
verkeersplein, afzetten. Een uur later arriveert de nachtbus naar Bombay. Clim
laat de bagage in de kofferbak zetten en moet daarvoor 5 roepie betalen; een
simpele dienst van 5 seconden die 3 borden rijst moet kosten. Onbegrijpelijk
die wildgroei aan prijzen hier. Die porters zijn de meest brutale die we
kennen, ze grissen ongevraagd al je bagage uit je handen, je moet ze soms
zelfs achterna rennen wil je ze niet uit het oog verliezen, en trekken je
daarna het vel over de oren door ongehoorde bedragen te eisen. Niet bij ons
dus. We hebben hen wel eens met de politie gedreigd, dat maakte hun een stuk
rustiger. Het schijnt dat ze een soort vakbond hebben, vandaar dat
zelfbewustzijn.
|
|
|